Wil je weten of jullie kantoorverlichting echt helpt in plaats van tegenwerkt, zeker in de wintermaanden? Deel gerust een plattegrond en een korte omschrijving van het gebruik van de ruimte, zoals veel schermwerk, flexplekken of vergaderruimtes. Dan kijken we met je mee waar je snel kunt verbeteren en wanneer een lichtplan logisch is. Als je daarna wil doorpakken, kunnen we het traject ook praktisch rond maken, van ontwerp en berekening in DIALux tot keuze, levering en eventueel installatie en inregeling. Neem vrijblijvend contact op.
Winterdip op kantoor? Kantoorverlichting tegen Blue Monday
Wat licht doet met je energie, focus en winterdip op kantoor
Januari is zo’n maand waarin je agenda best vol kan zitten, maar je batterij soms niet. Je staat op als het nog donker is, je rijdt in grijs weer naar je werk en voor je het weet zit je alweer de hele dag binnen. Korte dagen doen iets met je energie, en dat merk je vaak pas als je ’s middags naar buiten kijkt en denkt, is het nu al bijna avond?
Het weer kun je niet regelen. Je planning ook niet altijd. Maar je lichtomgeving kun je wél beïnvloeden. En dat is interessanter dan het klinkt. Licht stuurt niet alleen wat je ziet, maar ook hoe wakker je je voelt, hoe lang je scherp blijft en hoeveel “wintergevoel” je lichaam oppikt. Zeker in een kantoor, waar kantoorverlichting vaak urenlang de belangrijkste lichtbron is.
Daarom loont het om in januari net iets bewuster te kijken naar je verlichting. Niet omdat je daarmee ineens altijd vrolijk wordt, maar omdat je wél veel ongemak kunt voorkomen. Denk aan vermoeide ogen, dat slome middagdipje of het gevoel dat je concentratie eerder op is dan je takenlijst.
Wat is Blue Monday eigenlijk?
Blue Monday wordt vaak genoemd als “de somberste dag van het jaar”. Meestal gaat het dan om de derde maandag van januari. Het idee duikt elk jaar weer op in media en op social. Toch heeft het concept geen stevige wetenschappelijke basis. Het ontstond vooral als campagne, met een formule die heel overtuigend klonk maar nooit als serieuze wetenschap is gedragen.
Dat betekent niet dat mensen het zich “aanstellen”. Veel mensen herkennen een winterdip, los van die term. Minder daglicht en korte dagen hangen wél samen met klachten zoals minder energie, somberheid en meer moeite met opstarten. In extremere vorm kennen we dat als winterdepressie of Seasonal Affective Disorder (SAD). Organisaties zoals de American Psychological Association en zorginstanties beschrijven ook licht en daglicht als relevante factor in het ontstaan en de aanpak daarvan.
En zelfs als je geen winterdip hebt, blijft één ding overeind: je lichaam reageert op licht. Onderzoek bij kantoormedewerkers laat bijvoorbeeld zien dat meer blootstelling aan daglicht samenhangt met beter slapen en meer slaapduur. Dat tikt door in hoe fit je je overdag voelt.
Dus nee, Blue Monday is geen “officiële” wetenschappelijke dag. Maar het gevoel dat januari soms zwaarder aanvoelt, is wél heel begrijpelijk. En precies daar wordt verlichting interessant. In de volgende delen kijken we naar wat je met licht kunt doen in je werkdag, waar je op let als je verlichting wilt die je helpt in plaats van tegenwerkt, bijvoorbeeld via een doordachte lichtstudie en aandacht voor comfortfactoren zoals UGR en de richtlijnen uit NEN-EN 12464-1.

Verlichting, humeur en energie
Licht is niet alleen zichtbaarheid, het stuurt ook je ritme. Zie licht als de regisseur van je dag. In de ochtend wil je dat die regisseur zegt: we gaan aan. Later op de dag mag het tempo wat omlaag. Helderheid en lichtkleur spelen daar een rol in. Koeler en helderder licht ondersteunt alertheid meestal beter dan warm, zacht licht. Warmere tinten passen juist vaker bij afronden en rust.
Dat klinkt misschien zweverig, maar het idee is simpel. Je lichaam reageert op lichtprikkels. Zeker als daglicht minder aanwezig is, gaat de kwaliteit van je kunstlichtomgeving relatief meer meetellen. Harvard beschrijft bijvoorbeeld hoe (blauw) licht invloed kan hebben op je biologische klok en op processen rond slaperigheid en wakker zijn.
Het verschil tussen gewoon en goed licht
“Gewoon licht” is vaak: overal hetzelfde, overal even fel, en klaar. Dat werkt, maar het helpt je niet per se door een donkere januaridag heen. Goed licht doet iets anders. Niet harder, maar slimmer.
Goed licht geeft je ogen rust. Het voorkomt dat je steeds naar een fel punt kijkt, of dat je scherm de hele dag terugpraat met reflecties. Het verdeelt licht logisch over de ruimte, dus niet alleen op je bureau maar ook op wanden en loopzones. En het houdt rekening met comfort, zoals verblinding en flikkering. Dat soort details lijken klein, tot je er acht uur per dag onder zit.
Praktisch gezien betekent dit dat je met kantoorverlichting veel kunt sturen zonder dat het een complete verbouwing wordt. Soms zit de grootste winst in een betere opbouw van basislicht en taaklicht, een andere lichtverdeling of een instelling die beter aansluit op hoe de ruimte écht gebruikt wordt. En als je zeker wil weten of het ook technisch klopt, dan helpt een lichtstudie om keuzes te onderbouwen met berekeningen in plaats van gevoel. En zo voorkom je een winterdip op kantoor.
Blue Monday op kantoor
In veel kantoren zit het probleem niet in “te weinig lampen”, maar in een lichtplan dat net niet klopt met hoe er gewerkt wordt. Denk aan een ruimte met ledpanelen die heel koel en vlak aanvoelen. Alles is even helder, maar niets voelt prettig. Of juist het omgekeerde. Je ziet mooie armaturen aan het plafond, alleen komt er op het bureau minder licht dan je verwacht. Zeker op donkere dagen merk je dat meteen. Je leest nét wat lastiger, je ogen gaan harder werken en tegen het einde van de middag voelt het alsof je accu leegloopt.
We zien ook vaak donkere stukken in looproutes, terwijl werkplekken wél licht krijgen. Dat geeft onrust. Je loopt letterlijk van licht naar donker. En in diepe plattegronden ontstaat vaak veel contrast. Dicht bij het raam is het fel door daglicht, verder naar binnen zakt het lichtniveau weg. Je ogen moeten steeds bijregelen. Dat kost ongemerkt energie.
Verblinding en reflectie
Verblinding lijkt soms een detail, tot je er een dag onder werkt. Je kent het wel. Je kijkt op van je scherm en het armatuur “prikt” terug. Of je ziet een witte vlek op je monitor die steeds meebeweegt als je je hoofd draait. Dit soort prikkels maken je sneller moe, ook als je het niet meteen bewust doorhebt.
Daarom kijken we in kantoren vaak naar de UGR-waarde. Die zegt iets over hoe storend armaturen kunnen zijn vanuit typische kijkrichtingen. Voor beeldschermwerk kom je in de praktijk vaak uit op een lage UGR-eis, omdat comfort zwaar meetelt. Samenvattingen van de EN 12464-1 geven bijvoorbeeld UGR 19 als veelgebruikte grens voor kantoorwerkplekken, naast eisen voor lichtniveau en gelijkmatigheid.
Wat ook meespeelt is reflectie. Richtlijnen rond beeldschermwerk benoemen expliciet dat slechte verlichting, reflecties en flikkering kunnen bijdragen aan tijdelijke visuele vermoeidheid. We adviseren ook heel praktisch om armaturen zo te positioneren dat je reflecties voorkomt. In vakliteratuur over werkplekken en verlichting zie je hetzelfde terug. Reflecties en verblinding verstoren je zichttaak, dus je ogen en aandacht moeten steeds corrigeren.
Te weinig lux, of te ongelijk verdeeld
Bij kantoorverlichting denken veel professionals meteen aan één getal. “Hoeveel lux hebben we?” Alleen zegt dat gemiddelde niet alles. Je kunt een prima gemiddelde halen en tóch klachten krijgen als het licht ongelijk verdeeld is. Dan zit je met een fel eiland op het bureau en een donker stuk ernaast. Of met voldoende licht in het midden en te weinig licht richting wanden. Je ogen blijven dan compenseren, zeker bij veel schermwerk.
Daarnaast helpt het om naar de tijd te kijken. Niet alleen naar de oplevering. Lichtopbrengst zakt langzaam door veroudering en vervuiling. Daarom werken lichtnormen en lichtberekeningen met onderhoudsfactoren. Samenvattingen van NEN 12464-1 noemen voor kantoorwerk vaak 500 lux op het werkvlak en een eis voor gelijkmatigheid, juist om die kwaliteit in de praktijk te borgen.
Wie daar in het ontwerp geen rekening mee houdt, kan na een paar jaar ineens “net onder de norm” uitkomen. Dat levert gedoe op bij klachten, evaluaties of interne controles. Precies daarom koppelen we kantoorverlichting in projecten vaak aan een lichtstudie in plaats van een snelle productkeuze.

Wat kun je vandaag verbeteren?
Je hoeft niet direct een plafond open te trekken om effect te merken. Je kunt vandaag al een paar slimme dingen doen, die vooral draaien om rust in je beeld. Begin eens met je scherm en bureau. Zet je monitor bij voorkeur haaks op het raam, zodat daglicht niet in je ogen of op je scherm terugkaatst. Als dat niet kan, helpen lamellen of zonwering vaak meer dan mensen denken. Richtlijnen rond beeldschermwerk noemen dit soort aanpassingen ook expliciet om reflecties en verblinding te verminderen.
Dimbaarheid en scènes
Kijk daarna naar wat het licht boven je doet. Voelt een zone te fel, dan werkt dimmen vaak beter dan “ermee leren leven”. Veel installaties hebben al meer mogelijkheden dan ze gebruiken. Een simpele aanpassing in scènes of dimniveau kan een ruimte direct rustiger maken, zeker op plekken met veel schermen. Kijk na of jouw verlichting dimbaar is via bijvoorbeeld DALI of Casambi.
Voeg taaklicht toe
Als je juist te weinig licht ervaart op het werkvlak, los je dat niet altijd het beste op met “alles feller”. Een bureaulamp of gerichte taakverlichting kan prettiger werken dan het hele plafond opschroeven. Je houdt de omgeving rustiger en je geeft licht waar je het nodig hebt. Dat sluit ook aan bij ergonomische adviezen. Gebruik lager omgevingslicht en voeg taaklicht toe waar je leest of papierwerk doet.
Zichtlijnen en contrast
Loop tot slot letterlijk één rondje door het kantoor en kijk met frisse ogen. Zijn armaturen vies of vergeeld? Dan verlies je licht zonder dat iemand het doorheeft. Staan er ergens spots recht in zichtlijnen, bijvoorbeeld bij overlegplekken? Draai dan waar mogelijk de opstelling of pas de kijkrichting aan. En zie je extreme verschillen tussen raamzone en kern, dan kan het helpen om werkplekken anders te verdelen. Zet taken die veel concentratie vragen net wat dichter bij daglicht, als dat praktisch kan.
Als je deze stappen toepast, maak je het licht niet “harder”. Je maakt het slimmer. En dat voel je vaak al binnen een werkdag, zeker in januari!

Structurele oplossingen
Zo maak je volgend jaar Blue Monday een stuk minder blauw.
Denk in lagen
Als je één ding structureel goed wilt zetten, begin dan met lagen. Niet omdat dat “mooier” klinkt, maar omdat je brein en ogen niet de hele dag hetzelfde soort licht nodig hebben.
Basislicht geeft je oriëntatie. Je wilt dat de ruimte als geheel prettig helder voelt, ook in loopzones en richting wanden. Dat voorkomt dat je de hele dag van licht naar donker beweegt. Werklicht is het licht dat je taak ondersteunt, dus op het bureau, op vergadertafels, bij printplekken of in projecthoeken. Accentlicht gebruik je spaarzaam. Het helpt om diepte te geven en om focuspunten te maken, bijvoorbeeld bij een receptie of een presentatiezone.
In veel kantoren gaat het mis omdat alles op één laag leunt, vaak een vlak plafondbeeld met panelen. Dat lijkt efficiënt, maar het voelt in januari snel “grijs op grijs”. Een betere verdeling over basis en werklicht maakt het rustiger voor je ogen en helpt je langer scherp te blijven. Als je dit wilt onderbouwen, dan hoort dit eigenlijk thuis in een lichtstudie. Daarmee zie je direct wat er gebeurt met lux, gelijkmatigheid en comfort in de hele ruimte.
Slimme verlichting
In januari werkt je dagritme vaak net wat stroever. Je komt donker binnen, je zit lang binnen, en je mist de natuurlijke variatie van daglicht. Daar kun je met verlichting slim op inspelen, zonder dat het een “lichtshow” wordt.
Met tunable white kun je de kleurtemperatuur door de dag laten meebewegen. Denk aan een frissere stand in de ochtend, een stabiele stand tijdens het blokken, en een warmere stand richting het einde van de dag. Niet omdat warm of koel “magisch” is, maar omdat variatie helpt om je omgeving beter te laten aansluiten op wat je op dat moment doet.
Slim regelen hoeft trouwens niet ingewikkeld te zijn. Een paar praktische voorbeelden. Zet vaste lichtscènes klaar voor focuswerk, overleg en opruimen. Gebruik daglichtregeling als je veel raamlicht hebt, zodat je niet onnodig blijft bijstoken. Voeg aanwezigheidsdetectie toe in zones waar mensen kort komen, zoals copycorners en looproutes. Zo blijft het comfort goed, terwijl je verbruik daalt.
Armaturen met comfort
Als je in januari sneller moe bent, merk je slechte armaturen extra hard. Comfort zit niet alleen in “genoeg licht”, maar ook in wat je ogen de hele dag moeten verwerken.
Let op verblinding en optiek. Kies armaturen die het licht sturen in plaats van laten schijnen. Let ook op flikkering en driverkwaliteit. Flikkering zie je niet altijd bewust, maar je voelt het soms wel aan het einde van de dag. En kijk naar hoe het armatuur de ruimte laat aanvoelen. Licht op wanden en plafonds maakt een kantoor vaak ruimtelijker en minder vlak, zonder dat je overal meer lux hoeft te maken.
Dit is ook het moment waarop “goedkoop” regelmatig duurder wordt. Niet alleen door vervanging, maar ook doordat je vaker moet compenseren met extra armaturen of hogere standen. Kwaliteit helpt je om het rustiger te krijgen met minder ingrepen.
Klein experiment om flikkering te checken
Je kunt flikkering niet altijd bewust zien met het blote oog, zeker niet als het op een hogere frequentie gebeurt. Een camera kan dat soms wél zichtbaar maken, omdat een sensor en sluitertijd anders “kijken” dan je ogen. Film een armatuur eens met je telefoon, bij voorkeur in slow motion. Zie je donkere, bewegende banen of een pulserend beeld, dan is er sprake van lichtmodulatie die met de camera-interactie zichtbaar wordt. Dat effect hangt samen met de manier waarop camera’s beeld uitlezen (rolling shutter) en met de frequentie van de lichtbron en netspanning.
Belangrijk detail. Dit is een snelle indicatie, geen officiële meting. Soms kun je banding vooral zien door de combinatie van camera-instellingen en verlichting, en soms zie je juist niks terwijl er alsnog flikkering kan zijn. Maar als je het duidelijk ziet, is dat wél een goed moment om driver, dimmethode en armatuurkeuze te heroverwegen, omdat flikkering en stroboscopische effecten ook gekoppeld worden aan comfortklachten en visuele vermoeidheid.

Blue Monday voor designers en ontwerpers
Waar let je op bij een kantoorontwerp in de wintermaanden?
Winterlicht is anders. De zon staat lager, het contrast tussen raamzone en kern is groter, en mensen zitten langer achter schermen. Dat vraagt om een ontwerp dat niet alleen op papier klopt, maar ook op een grijze dinsdagmiddag.
Begin bij daglichtstrategie. Niet als “extra”, maar als basis voor je indeling. Zet werkplekken met veel schermwerk niet op de plek waar je de hele dag reflecties krijgt. Zorg dat je raamzones geen overbelichte eilanden worden en dat de kern niet wegzakt. Als je dit goed ontwerpt, hoeft kunstlicht minder hard te werken en voelt de ruimte stabieler.
Daarna komen materialen en reflecties. Donkere vloeren, matte wanden, glaspartijen en zwarte plafonds zien er strak uit, maar ze verlagen ook de visuele helderheid. Dat kun je oplossen, alleen moet je het wel bewust doen. Denk aan meer verticale verlichting, dus wanden mee laten werken. Dat maakt de ruimte optisch lichter en vaak ook prettiger om in te zitten.
Laat licht meedenken met het interieur
Licht en interieur werken samen. Als je interieur veel harde lijnen en glanzende vlakken heeft, dan moet je verlichting extra rustig zijn. Kies dan liever voor armaturen met goede afscherming en een zachte verdeling. Zo voorkom je dat het licht “terugpraat” via schermen, tafels en glas.
Het plafondbeeld speelt hier ook mee. Een plafond vol willekeurige lichtpunten geeft onrust, zeker in de winter als je minder daglichtcompensatie hebt. Werk liever met een logisch ritme, afgestemd op werkplekken en looplijnen. Dat maakt het niet alleen prettiger, maar ook makkelijker uitlegbaar richting opdrachtgever en uitvoering.
Flexplekken en vergaderruimtes vragen weer iets anders. In een vergaderruimte wil je vaak een stand die energie geeft, maar je wilt ook kunnen terugschakelen bij presenteren. In stille ruimtes wil je juist minder prikkels. Als je die variatie al in je concept opneemt, voorkom je later losse oplossingen per kamer. Kom je er even niet uit met jouw (licht)ontwerp? Neem contact op, wij adviseren je graag.
Wanneer is het tijd voor een lichtplan?
Sommige verbeteringen kun je snel regelen, zoals je net las. Maar er komt een moment dat je merkt dat “even dimmen” of “een armatuur erbij” niet meer genoeg is. Dat moment herken je vaak aan hetzelfde patroon. Het licht voelt per plek anders, mensen klagen op vaste momenten van de dag, of een nieuwe indeling maakt ineens zichtbaar dat de verlichting eigenlijk nooit echt op het gebruik is ontworpen.
Een lichtplan is vooral logisch als er iets verandert in de ruimte of in het gedrag. Denk aan een renovatie of een herinrichting, waarbij werkplekken verschuiven en schermwerk een grotere rol krijgt. Of juist als er klachten ontstaan die je niet goed kunt plaatsen. Vermoeide ogen, onrust in het plafondbeeld, reflecties op schermen, of een middag waarin iedereen “op” is terwijl de werkdag nog lang niet klaar is. In de winter valt dit extra op, omdat daglicht minder compenseert en kunstlicht langer de hoofdrol heeft.
Wat een lichtplan oplevert is vooral duidelijkheid. Niet op gevoel, maar op basis van berekeningen en een realistische vertaalslag naar de praktijk. Je ziet waar het licht te hard binnenkomt, waar het juist wegvalt, en welke aanpassing het meeste effect heeft. Soms zit de oplossing in een andere verdeling, soms in een andere optiek, soms in extra verticale verlichting, en soms in een betere regeling. Een goed lichtplan voorkomt dat je achteraf blijft bijsturen met losse ingrepen die elkaar in de weg gaan.
In de praktijk start zo’n studie met input die je toch al hebt of makkelijk kunt verzamelen. Plattegronden, hoogtes, indeling, materialen en vooral het gebruik per zone. Daarna volgt de berekening, vaak in DIALux, met checks op lichtniveau, gelijkmatigheid en comfort. Dat comfort gaat verder dan “genoeg lux”. Je kijkt ook naar verblinding via de UGR-waarde, naar reflectierisico’s bij schermwerk en naar hoe het licht verdeeld is over wanden en looproutes. Als het nodig is, neem je ook verschillende scènes mee, zodat je niet één kantoor bouwt voor één situatie, maar een ruimte die mee kan bewegen met focuswerk, overleg en presentatie.
Het eindresultaat is een plan dat je kunt uitvoeren. Je krijgt een duidelijke onderbouwing van armatuurkeuze en posities en je ziet wat het effect is op werkplekken en zones. Dat maakt keuzes in een project ook makkelijker richting opdrachtgever of intern team, omdat je niet hoeft te verdedigen op smaak, maar op meetbare kwaliteit. Hier sluit kantoorverlichting ineens weer aan op de realiteit, in plaats van op een catalogus.

Veelgemaakte fouten bij Blue Monday proof kantoorverlichting
1. Alles koeler zetten omdat het wakkerder voelt
Koeler licht kan helpen in de ochtend, maar als je het overal en de hele dag doorvoert, krijg je vaak een vlak en onrustig lichtbeeld. Zeker in combinatie met grijze dagen voelt de ruimte dan harder dan nodig. Het gevolg is dat mensen niet energieker worden, maar juist sneller prikkelmoe.
2. Alleen naar de gemiddelde lux kijken
Een kantoor kan op papier prima scoren, terwijl het in gebruik toch vermoeiend is. Dat gebeurt vooral als het licht ongelijk verdeeld is. Je krijgt dan lichte eilanden en donkere stukken, of een scherpe overgang tussen raamzone en kern. Je ogen blijven bijregelen en dat kost ongemerkt concentratie.
3. Comfort onderschatten
Verblinding en reflectie vallen niet altijd direct op, maar ze vreten wél energie. Een armatuur dat net in je zichtlijn zit, een paneel dat terugkomt in je scherm, of een te glanzend oppervlak dat licht terugkaatst. Dit soort micro irritaties stapelen zich op. In de winter, met langere kunstlichturen, wordt dat effect alleen maar groter.
4. Sturingen te laat gebruiken
Veel kantoren hebben dimmogelijkheden of scènes, maar gebruiken ze nauwelijks. Dan staat alles standaard op één stand, ongeacht tijdstip, daglicht of activiteit. Als je regeling pas achteraf “erbij” probeert te plakken, ga je vaak pleisters plakken in plaats van een systeem bouwen dat meewerkt.
5. Niet future proof ontwerpen
Installaties blijven niet exact hetzelfde presteren als op de dag van oplevering. Armaturen vervuilen, leds verouderen en ruimtes veranderen. Als je daar in het begin geen marge voor neemt, kom je later sneller in het gebied van “het voelt net te donker”, precies op het moment dat mensen toch al minder daglicht binnenkrijgen.
Als je deze fouten vermijdt, maak je kantoorverlichting niet overdreven ingewikkeld. Je maakt het vooral voorspelbaar, rustiger en beter passend bij hoe mensen in de winter echt werken.
Conclusie
Blue Monday mag dan geen officiële “wetenschappelijke dag” zijn, maar het wintergevoel op kantoor is wél echt. In januari zie je sneller wat verlichting met je doet, omdat je langer op kunstlicht draait en daglicht minder compenseert. Dan telt het ineens mee of je lichtbeeld rustig is, of je ogen steeds moeten bijregelen, en of je werkplek je helpt om scherp te blijven.
De rode draad is simpel. Goed kantoorlicht draait niet om “alles feller” of “alles koeler”. Het draait om een logische opbouw in lagen, een verdeling die klopt met hoe er gewerkt wordt, en armaturen die comfort serieus nemen. Dus minder verblinding en reflecties, voldoende licht op het werkvlak én in de rest van de ruimte, en instellingen die passen bij het moment van de dag. Als je daar ook nog rekening houdt met veroudering en onderhoud, voorkom je dat het nu net goed zit, en over een paar jaar net niet meer.
Je kunt vandaag al winst pakken met kleine ingrepen, zoals schermpositie, dimmen, extra taaklicht of het slim benutten van daglicht. Maar als je merkt dat je blijft schuiven en bijsturen, dan loont het om het structureel aan te pakken. Een lichtstudie maakt zichtbaar waar het wringt, en helpt je om keuzes te onderbouwen richting collega’s, facility, of directie. Niet op gevoel, maar op comfort, richtlijnen en meetbare resultaten zoals UGR, gelijkmatigheid en de eisen uit NEN-EN 12464-1.





