Wat is daglichtregeling?
In veel gebouwen komt overdag al veel daglicht binnen. Toch brandt de verlichting in de praktijk vaak gewoon op volle sterkte door. Zeker bij werkplekken langs de gevel, in klaslokalen met grote ramen of in zorgomgevingen met veel glas gebeurt dat regelmatig. Dat is niet altijd nodig.
Met daglichtregeling stem je de hoeveelheid kunstlicht af op het beschikbare daglicht in de ruimte. Een sensor meet hoeveel licht aanwezig is, waarna het systeem de armaturen automatisch dimt of schakelt. Zo blijft het lichtniveau beter in balans met de situatie in de ruimte.
Voor installateurs en lichtdesigners is daglichtregeling vooral interessant als lichtcomfort, normering en slim ontwerpen samenkomen. Het helpt om onnodig energieverbruik te voorkomen, maar minstens zo belangrijk is dat het lichtniveau in de ruimte beter aansluit op het gebruik. In dit artikel lees je wat daglichtregeling precies is en hoe het werkt met sensoren.
Wat is daglichtregeling?
Daglichtregeling is een vorm van lichtsturing waarbij kunstlicht automatisch wordt aangepast aan de hoeveelheid daglicht in een ruimte. Komt er veel daglicht binnen, dan dimt de verlichting terug of schakelt deels uit. Neemt het daglicht af, dan zorgt het systeem ervoor dat de armaturen weer meer licht geven.
Het doel van daglichtregeling is niet alleen om energie te besparen. Minstens zo belangrijk is het behouden van een bruikbaar en zo constant mogelijk lichtniveau op de plek waar gewerkt, geleerd of verzorgd wordt. In een kantoor betekent dat bijvoorbeeld dat een werkplek bij het raam niet onnodig te fel verlicht blijft wanneer de zon al veel van het werk doet.
Daglichtregeling zie je vooral terug in gebouwen waar de hoeveelheid natuurlijk licht gedurende de dag duidelijk verandert. Denk aan kantoren, scholen en zorgomgevingen. Juist daar kan het verschil tussen de gevelzone en het midden van de ruimte groot zijn. Zonder regeling brandt verlichting dan vaak harder dan nodig is.
In een goed ontwerp wordt daglichtregeling daarom niet los gezien van de rest van het lichtplan. De positie van ramen, de indeling van de ruimte, de regelzones en het gewenste lichtniveau op het werkvlak spelen allemaal mee. Ook onderwerpen als Lux, UGR en de eisen uit een lichtplan hangen daar direct mee samen.

Hoe werkt daglichtregeling met sensoren?
Daglichtregeling werkt op basis van meting en aansturing. Een sensor meet hoeveel licht aanwezig is in of bij een ruimte. Op basis van die meting bepaalt het regelsysteem of de aangesloten armaturen meer of minder licht moeten geven. Dat gebeurt meestal traploos door te dimmen, maar in eenvoudigere toepassingen kan ook worden geschakeld.
In de praktijk werkt zo’n regeling alleen goed als de meting klopt en het systeem goed is ingesteld. Niet alleen de sensor zelf is belangrijk, maar ook de plaats waar hij hangt, de grootte van de regelzone en de ingestelde doelwaarde. Zeker in ruimtes met grote glaspartijen of wisselende bezetting maakt dat veel verschil.
Bij moderne systemen wordt daglichtregeling vaak gecombineerd met andere vormen van sturing. Denk aan aanwezigheidsdetectie of een regelsysteem via DALI of Casambi. De aanwezigheidssensor bepaalt dan of verlichting überhaupt nodig is, terwijl de daglichtregeling bepaalt hoeveel kunstlicht op dat moment nog nodig is.
De rol van de luxsensor
De luxsensor is het onderdeel dat het aanwezige licht meet. Die meting vormt de basis van de regeling. De sensor kijkt dus niet naar hoeveel vermogen een armatuur gebruikt, maar naar de hoeveelheid licht die hij waarneemt. Vervolgens geeft hij die informatie door aan het regelsysteem, dat de armaturen aanstuurt.
Daarbij is de positie van de sensor heel belangrijk. Hangt een sensor ongunstig, dan meet hij niet de juiste situatie. Hij kan bijvoorbeeld te veel beïnvloed worden door direct invallend zonlicht, of juist door het kunstlicht van de armaturen zelf. In beide gevallen reageert de regeling minder nauwkeurig dan bedoeld.
Ook de indeling van de ruimte speelt mee. Bij werkplekken langs de gevel is vaak meer daglicht beschikbaar dan verder naar binnen. Daarom is het logisch om niet de hele ruimte als één zone te regelen. Door gevelzones apart te sturen, sluit de regeling beter aan op de praktijk en voorkom je dat verlichting in het hele kantoor mee dimt terwijl alleen het deel bij het raam genoeg daglicht ontvangt.
Wat is een setpoint in lux?
Het setpoint in lux is de doelwaarde waar het systeem naartoe regelt. Simpel gezegd is dit het gewenste lichtniveau dat op een bepaalde plek behouden moet blijven. Als het gemeten lichtniveau onder dat punt komt, stuurt het systeem de armaturen omhoog. Komt er meer daglicht binnen, dan kan het systeem juist terugdimmen.
Dat setpoint wordt meestal gekozen op basis van de functie van de ruimte en het gewenste lichtniveau op het werkvlak. In een kantoor wil je bijvoorbeeld voldoende licht op bureauniveau houden, zonder dat het onnodig fel wordt. Het setpoint helpt om die balans vast te leggen in de regeling.
In de praktijk is het belangrijk om te beseffen dat de sensorwaarde niet altijd gelijk is aan de lux-waarde op het werkvlak. Een sensor hangt vaak aan of in het plafond en meet dus vanuit een andere positie. Daarom moet een regeling goed worden ingeregeld. Pas als sensor, ruimte en doelwaarde goed op elkaar zijn afgestemd, werkt daglichtregeling zoals bedoeld.
Open loop en closed loop uitgelegd
Bij daglichtregeling is niet alleen de sensor belangrijk, maar ook de manier waarop die sensor meet. Daarbij wordt vaak onderscheid gemaakt tussen open loop en closed loop. Voor installateurs en lichtdesigners is dat verschil relevant, omdat het veel zegt over de plek van de sensor, de nauwkeurigheid van de regeling en de manier waarop je een ruimte aanstuurt.
De keuze tussen open loop en closed loop hangt af van wat je precies wilt meten. Wil je vooral reageren op het invallende daglicht, dan werkt een andere opzet dan wanneer je echt wilt sturen op het totale lichtniveau in de ruimte. Daarom is het goed om dit onderscheid al in de ontwerpfase mee te nemen.
Open loop
Bij open loop meet de sensor alleen het beschikbare daglicht. Het kunstlicht van de armaturen wordt daarbij niet meegenomen in de meting. De sensor kijkt dus als het ware naar wat er van buitenaf aan licht binnenkomt, waarna het systeem bepaalt hoeveel kunstlicht daar nog aan toegevoegd moet worden.
Deze aanpak is vooral bruikbaar wanneer de sensor gericht is op invallend daglicht, of op een plek hangt waar hij niet wordt beïnvloed door het licht van de armaturen. Denk bijvoorbeeld aan een sensor bij een gevelzone of dicht bij een raamstrook. In zo’n situatie kun je goed anticiperen op veranderingen in daglicht zonder dat de regeling zichzelf beïnvloedt.
Een belangrijk voordeel van open loop is dat het systeem vrij direct kan reageren op veranderende buitenomstandigheden. Tegelijk vraagt deze methode wel om een doordachte positionering van de sensor. Als de sensor niet de juiste daglichtsituatie meet, sluit de regeling minder goed aan op het werkelijke lichtniveau in de ruimte.
Closed loop
Bij closed loop meet de sensor juist het totale lichtniveau in de ruimte. Dat betekent dat zowel het daglicht als het kunstlicht wordt meegenomen in de meting. Op basis van die waarde probeert het systeem via een feedbacklus een vooraf ingestelde doelwaarde in lux vast te houden.
Dat maakt closed loop interessant in ruimtes waar je echt wilt sturen op het lichtniveau op of rond het werkvlak. Het systeem kijkt namelijk niet alleen naar wat er van buiten binnenkomt, maar naar het totale resultaat in de ruimte. Daardoor sluit de regeling vaak beter aan op de werkelijke gebruikssituatie.
Vooral in kantoren, scholen en andere functionele ruimtes is dat een groot voordeel. Als het daglicht verandert, dimmen de armaturen mee totdat het gewenste lichtniveau weer klopt. Daardoor ontstaat een stabieler lichtbeeld, mits de sensor goed is geplaatst en het setpoint juist is ingesteld.

Wanneer pas je daglichtregeling toe?
Daglichtregeling is vooral interessant in ruimtes waar de hoeveelheid natuurlijk licht gedurende de dag duidelijk varieert. Hoe groter het verschil tussen plekken dicht bij de gevel en dieper in de ruimte, hoe logischer het wordt om kunstlicht daarop af te stemmen. In de praktijk zie je dat vooral terug in kantoren, scholen en zorgomgevingen.
Kantoren
In kantoren is daglichtregeling vooral interessant bij werkplekken langs de gevel of in open kantoorruimtes met grote glaspartijen. Daar voorkomt de regeling dat armaturen onnodig op volle sterkte blijven branden terwijl er al voldoende daglicht aanwezig is.
Scholen
In scholen werkt daglichtregeling goed in leslokalen met grote ramen, waar de lichtsituatie gedurende de dag sterk verandert. Zo blijft het lichtniveau beter in balans zonder dat een ruimte in de ochtend heel anders aanvoelt dan in de middag.
Zorg
In zorgomgevingen kan daglichtregeling zinvol zijn in ruimtes met veel daglichttoetreding, zoals wachtruimtes, behandelkamers of algemene verblijfsruimtes. Daar helpt de regeling om het licht rustiger af te stemmen op de ruimte, zonder dat het onnodig fel blijft wanneer er al genoeg daglicht aanwezig is.
Daglichtregeling combineren met aanwezigheidsdetectie
In veel projecten werkt daglichtregeling het best in combinatie met aanwezigheidsdetectie. Die twee doen namelijk iets anders. Aanwezigheidsdetectie bepaalt óf verlichting aan hoeft te gaan. Daglichtregeling bepaalt vervolgens hoeveel kunstlicht nog nodig is in de ruimte. Daardoor voorkom je dat verlichting brandt in een lege ruimte, maar ook dat armaturen op vol niveau blijven werken terwijl er al voldoende daglicht binnenkomt. Dat maakt de combinatie van een bewegingsmelder met daglichtregeling vooral logisch in kantoren, scholen en zorgomgevingen.
Voor installateurs en lichtdesigners is dit onderscheid belangrijk in het ontwerp. Een aanwezigheids- of bewegingssensor kijkt naar gebruik van de ruimte. Een daglichtsensor kijkt naar het lichtniveau. Pas als die twee goed samenwerken, krijg je een regeling die logisch reageert op de praktijk. Komt er iemand binnen in een ruimte met voldoende daglicht, dan hoeft het systeem weinig of soms geen kunstlicht toe te voegen. Is er te weinig daglicht, dan kan dezelfde installatie wel automatisch naar het gewenste niveau regelen. Zowel DALI als Casambi ondersteunen die combinatie van aanwezigheid en daglicht als onderdeel van één regelsysteem.
In het ontwerp betekent dat meestal dat je niet alleen nadenkt over armaturen en lichtverdeling, maar ook over detectiegebieden, regelzones en sensorposities. Een ruimte kan technisch gezien prima zijn voorzien van daglichtregeling, maar alsnog onrustig aanvoelen als aanwezigheid en daglicht niet goed op elkaar zijn afgestemd. Juist daarom hoort deze combinatie vroeg in het lichtplan meegenomen te worden.
Daglichtregeling met DALI of Casambi
Daglichtregeling kan op verschillende manieren worden aangestuurd. In de praktijk kom je daarbij vaak uit op DALI of Casambi. De basislogica is bij beide hetzelfde: sensoren meten wat er in de ruimte gebeurt, waarna de verlichting daarop reageert. Het verschil zit vooral in de manier van organiseren, instellen en uitbreiden. Daarom is het in dit artikel handiger om niet te kijken naar welk systeem “beter” is, maar naar welk type project en regeling je wilt opbouwen.
DALI
DALI is interessant wanneer je zones, sensoren en dimmen digitaal wilt organiseren en later ook flexibel wilt kunnen aanpassen. Het systeem is opgebouwd voor lichtsturing met adressen, groepen en regelscenario’s, waardoor je per zone kunt bepalen hoe armaturen reageren op aanwezigheid, daglicht en dimcommando’s. Juist in projecten met meerdere ruimtes of verschillende daglichtzones geeft dat veel grip in ontwerp en uitvoering. De DALI Alliance noemt daylight harvesting, occupancy sensing en dimming expliciet als onderdelen van het systeem.
Voor lichtdesigners is DALI vooral prettig wanneer je in een gebouw gestructureerd wilt werken met regelzones en functionele verschillen binnen één project. Voor installateurs zit het voordeel vooral in de duidelijke digitale opzet en de mogelijkheid om later aanpassingen door te voeren zonder het hele systeem opnieuw te moeten benaderen vanuit een vaste aan-uit logica. Zeker in kantoren, scholen en zorgprojecten is dat praktisch, omdat gebruik en indeling in de loop van de tijd kunnen veranderen.
Casambi
Casambi ondersteunt in de basis dezelfde logica, maar dan draadloos en softwarematig instelbaar. Daardoor is het systeem interessant in projecten waar flexibiliteit in configuratie belangrijk is, of waar je liever niet volledig afhankelijk bent van een traditioneel bekabelde regelstructuur. Casambi ondersteunt basic, open-loop en closed-loop daglichtregeling en laat daarnaast instellingen toe zoals gevoeligheid, tolerantie en luxdrempels.
Praktisch betekent dat dat je per ruimte of zone vrij gericht kunt afstemmen hoe snel en hoe sterk een regeling reageert. Dat is vooral relevant in ruimtes waar het daglicht snel wisselt, of waar je wilt voorkomen dat armaturen te onrustig op en neer dimmen. Voor ontwerpers biedt dat controle over de beleving van de ruimte. Voor installateurs maakt het het makkelijker om de regeling na oplevering nog bij te sturen wanneer de praktijk net iets anders uitpakt dan vooraf gedacht.

Waar gaat het in het ontwerp vaak mis?
Daglichtregeling werkt alleen goed als de techniek klopt én als de regeling logisch is uitgewerkt in het ontwerp. In de praktijk gaat het vaak niet mis op het idee van daglichtregeling zelf, maar op de vertaalslag naar sensorpositie, regelzones en regelgedrag. Zodra die drie niet goed op elkaar aansluiten, ontstaat al snel een regeling die onrustig aanvoelt of niet doet wat je ervan verwacht. Gebruikers gaan dan sneller handmatig overrulen, terwijl het systeem juist bedoeld is om automatisch en bijna ongemerkt mee te sturen. Systemen moeten daarom zo reageren dat veranderingen in licht niet als storende sprongen worden ervaren.
Verkeerde positie van de sensor
Een eerste valkuil is de positie van de sensor. Als een sensor op de verkeerde plek hangt, meet hij niet de lichtsituatie die voor de ruimte of het werkvlak relevant is. Hij kan bijvoorbeeld te veel direct daglicht zien, of juist te veel worden beïnvloed door het kunstlicht van de armaturen. In beide gevallen ontstaat een regeling die niet goed aansluit op wat gebruikers in de ruimte ervaren. Juist daarom moet al in de ontwerpfase worden bepaald welke zone de sensor feitelijk moet representeren.
Te grove regelzones
Een tweede valkuil is het werken met te grove regelzones. In ruimtes met een duidelijke gevelzijde en een dieper gelegen binnengebied is het zelden logisch om alles als één zone aan te sturen. De hoeveelheid daglicht verschilt daar simpelweg te veel voor. Als één sensor of één regeling een te groot gebied moet bedienen, krijg je vaak een compromis dat nergens echt goed werkt. Werkplekken bij het raam krijgen dan te veel kunstlicht, terwijl plekken verder van de gevel juist te weinig krijgen of andersom. Een goed lichtplan houdt daarom rekening met de relatie tussen werkgebied, directe omgeving en de rest van de ruimte.
Te agressieve dimreactie
Tot slot zien we vaak een te agressieve dimreactie. Wanneer armaturen te snel of te zichtbaar op veranderend daglicht reageren, wordt de regeling eerder storend dan ondersteunend. Zeker in kantoren en onderwijsomgevingen valt dat snel op. Daarom zijn instellingen zoals gevoeligheid, tolerantie en drempelwaarden niet alleen technische details, maar ook ontwerpparameters. Ze bepalen mede of een ruimte rustig aanvoelt of juist onnodig dynamisch wordt.
Daglichtregeling, lux en normering
Daglichtregeling staat niet los van de rest van een lichtontwerp. Het onderwerp raakt direct aan Lux, UGR, een goed lichtplan en de eisen uit de norm. Het gaat namelijk niet alleen om de vraag of verlichting automatisch dimt, maar vooral of de ruimte daarmee ook functioneel en prettig bruikbaar blijft. Een regeling kan technisch goed werken, maar alsnog tekortschieten als het lichtniveau, de uniformiteit of het visueel comfort niet op orde zijn.
EN 12464-1 beschrijft de verlichting van indoor werkplekken en kijkt daarbij nadrukkelijk verder dan alleen “genoeg licht”. De norm koppelt eisen aan het werkgebied zelf, aan de directe omgeving daaromheen en aan de rest van de ruimte. Daarnaast spelen ook uniformiteit, luminantieverhoudingen en verblinding een rol. Dat maakt de norm juist relevant bij daglichtregeling, omdat wisselend daglicht invloed heeft op hoe stabiel en comfortabel een ruimte wordt ervaren.
Voor installateurs en lichtdesigners betekent dit dat daglichtregeling altijd in samenhang met de ruimte moet worden bekeken. Een ingestelde luxwaarde is pas echt bruikbaar als die past bij de visuele taak op het werkvlak. Tegelijk wil je voorkomen dat verschillen in helderheid te groot worden of dat armaturen en ramen samen voor te veel visuele onrust zorgen. De norm kijkt daarom niet alleen naar verlichtingsniveau, maar ook naar uniformiteit en, waar relevant, de UGR-waarde voor verblinding.
In de praktijk betekent dat dat daglichtregeling geen los technisch trucje is, maar onderdeel van een breder ontwerpvraagstuk. Wie een ruimte goed wil regelen, moet dus niet alleen nadenken over sensoren en aansturing, maar ook over armatuurkeuze, lichtverdeling, raamoriëntatie en gebruik van de ruimte. Juist in bijvoorbeeld kantoorverlichting en zorgverlichting komt dat samen. Daar moet verlichting niet alleen efficiënt reageren op daglicht, maar vooral ook kloppen in gebruik en beleving.

Wanneer is daglichtregeling een logische keuze?
Daglichtregeling is vooral een logische keuze in ruimtes waar de hoeveelheid natuurlijk licht gedurende de dag merkbaar verandert. Het systeem voegt het meest toe wanneer er een duidelijk verschil is tussen momenten of zones met veel daglicht en momenten of zones met minder daglicht. In dat soort situaties helpt daglichtregeling om het kunstlicht beter af te stemmen op wat de ruimte op dat moment nodig heeft.
Niet elk project heeft zo’n regeling nodig. In een ruimte zonder noemenswaardig daglicht, zoals een interne verkeersruimte of een afgesloten zone zonder ramen, is er weinig om op te sturen. Dan voegt daglichtregeling meestal weinig toe aan het ontwerp. Aanwezigheidsdetectie of een eenvoudige dimoplossing ligt daar vaak meer voor de hand.
In een gevelzone, een klaslokaal of een kantoor met grote glaspartijen is het juist vaak wel logisch om daglichtregeling mee te nemen. Daar verandert de lichtsituatie continu door zonstand, bewolking en seizoenen. Zonder regeling blijft verlichting in zulke ruimtes al snel harder branden dan nodig is. Met een goed ingestelde regeling stuur je dan niet alleen op energiebewust gebruik, maar ook op een prettiger en consistenter lichtbeeld.
De meerwaarde zit dus vooral in projecten waar daglicht echt onderdeel is van de ruimtebeleving en het gebruik. Juist daar loont het om al in de ontwerpfase na te denken over sensorpositie, regelzones en het gewenste lichtniveau op het werkvlak. Zo wordt daglichtregeling geen losse toevoeging achteraf, maar een logisch onderdeel van het totale lichtontwerp.
Advies aanvragen
Twijfel je of daglichtregeling in jouw project een logische keuze is? Dan is het verstandig om daar al vroeg in het ontwerp naar te kijken. De juiste oplossing hangt namelijk af van de ruimte, de daglichttoetreding, de indeling en het gewenste lichtniveau op het werkvlak.
Wil je sparren over de beste aanpak voor een kantoor, school of zorgomgeving? Neem dan gerust contact met ons op voor advies. Werk je al aan een concreet project en wil je de verlichting meteen goed meenemen in het ontwerp, dan kun je ook een lichtplan aanvragen.





